Ergens tussen juffrouw en mevrouw

Ik heb lang niet geschreven. Dat is waar. Maar laten we dat gewoon vergeten en de draad weer oppikken. Deal? Deal! Zand erover.

Vandaag noemde iemand me ‘mevrouw’. Af en toe gebeurt dat eens, vooral op het werk, en ik moet er nog steeds aan wennen. Het lijkt nog maar een paar dagen geleden dat mijn paspoort gevraagd werd bij het kopen van kaartjes voor een +16-film. Het tijdperk van op zaterdag tot 14u slapen in plaats van om 14u staan aanschuiven in de Carrefour is nog niet zo lang geleden, maar wel al bijna helemaal afgesloten.

Van zodra je werkt, alleen woont, en voor jezelf zorgt ben je niet meer ‘juffrouw’ of ‘meisje’. Elke keer dat iemand je aanspreekt, word je met je neus op de feiten gedrukt. Je bent niet meer het onschuldig ding van vroeger, naïef en goedgelovig. Of rebels, opstandig en een beetje van lotje getikt. Al die eigenschappen behoren toe aan de jonge mensen. Niet aan de mevrouwen. Juffrouwen mogen vloeken, vreemde kleren dragen (“Och, ’t is maar een fase…”), en dramatisch reageren als de wereld niet om hen blijkt te draaien. Mevrouwen moeten altijd deftige schoenen dragen, duidelijke boodschappenlijstjes maken en de afwas niet laten staan. Het leven van een juffrouw staat in het teken van de volgende zomervakantie en de komende portie zakgeld. Een mevrouw zoekt paniekerig naar een datum om eindelijk die Bongobon te gaan verzilveren, en maakt rekensommetjes bij het betalen van de elektriciteitsrekening.

Ik weet nog niet bij welke categorie ik hoor. Van maandag tot vrijdag en van nine to five ben ik volwassen en heb ik tonnen verantwoordelijkheden. Maar van zodra het vrijdagavond is, komt de mejuffrouw in mij weer naar boven. Dan wil ik rondhangen in mijn pyjama, alleen maar frieten en koekjes eten, de muziek veel te luid zetten en al mijn geld gaan opshoppen. Spijtig genoeg moet de werkweekmevrouw de gevolgen dragen van het gedrag van het weekendmeisje.

Ze zullen het toch nog even met elkaar moeten uithouden, want ik wil van geen van de twee afscheid nemen.

Slaperige muizen en winterse dipjes

Ik wou dat ik een muis was. Die beestjes zien er schattig uit, eten lekker veel kaas, en kunnen heel snel lopen zonder daarvoor Start To Run te moeten volgen. En als ik dan nog mag kiezen welke muis ik wil zijn, wil ik het liefst het leven van de slaapmuis leiden. De slaapmuizen slapen overdag en zijn ’s nachts vrij actief, en ze houden een winterslaap die bij sommige soorten wel zeven maanden kan duren (bedankt Wikipedia)! Stel je eens voor, zeven maanden slapen in een knus nestje. Ik ben al blij als ik ’s nachts mijn batterijen zeven uur kan oplaten, wat zou zeven maanden dan met je doen?

De laatste tijd kan ik mezelf niet wakker houden. Ik weet niet of het een winterdip is of een echt gebrek aan nachtrust, maar ik val op de meest onvoorspelbare tijdstippen in slaap. Op het werk ben ik een energiebom, maar van zodra ik een voet op de trein zet, vallen mijn ogen dicht. Ik heb op de trein de vreemdste dromen, en als ik verschrikt wakker schiet, staren mijn medereizigers mij argwanend aan. Gisteren droomde ik bijvoorbeeld dat ik een grote marshmellow was en dat ik zwom in een zee van milkshake en frambozencoulis. Maar dat kan ook te maken hebben met mijn naderende bezoek aan de cursus van de Weight Watchers. Die dromen zijn nog prettig, en hebben me nog nooit in verlegenheid gebracht. De genante momenten zijn die waarop je beseft dat je in slaap aan het vallen bent, en dat je hoofd naar beneden tuimelt, steeds maar opnieuw en opnieuw. Het vreselijke aan die situatie is dat je meestal in je hoofd nog wakker bent, maar je lichaam wil niet meer mee. Dus je roept in je hersenpan tegen jezelf: “Stop daarmee! Hou je hoofd gewoon recht!”, maar het is al te laat en voor je het weet lig je te snurken tegen die arme oude vrouw naast je.    

Mijn grootste slaapfrustratie van de laatste dagen was onze dekbedovertrek. Het deken zat niet goed vast in de overtrek, met als resultaat dat er vanboven steeds een stukje lag waar geen deken meer in terug te vinden was. Zo’n flapperend stukje stof net onder je kin is allesbehalve gezellig en knus. En omdat mijn vriend me stiekem saboteert en het deken dat er wél nog zit allemaal naar zich toe trekt, blijft er voor mij bijna niets over. Zo eindig ik elke avond bibberend onder het equivalent van een zakdoek. Geen wonder dat ik ’s ochtends wat meer moeite moet doen om op te staan. En het vooruitzicht van mijn trein die wéér een half uur vertraging heeft, is ook geen stimulans om mijn bed uit te komen. Zeker niet als mijn wederhelft nog rustig naast mij ligt te spinnen, ik vergeef hem zijn sabotage van zodra ik zijn schattige slaapkop zie. Zijn rustige en warme lichaam smeekt mij om nog even tegen hem aan te kruipen, en zo wordt het elke dag wat moeilijker om de wijde en koude wereld in te trekken.  

Dus vanaf morgen, 1 december, begint de grote aftelrace. Dan moet ik nog 24 dagen doorkomen vooraleer ik in mijn eigen persoonlijke winterslaap kan vallen. De week tussen Kerst en Nieuwjaar heb ik vakantie, en die zal voornamelijk onder een dekentje en met gesloten ogen doorgebracht worden. Dus aan iedereen die mij kent en zich tijdens die week zorgen maakt over mij omdat ik niet binnen het uur sms’jes en mails beantwoord: wees gerust, ik kom nog terug! Ik ben gewoon even tijdelijk getransformeerd in een slaapmuis.

What goes around comes around

Ik geloof in karma. Het is een beetje zoals in dat liedje van Sinterklaas: “Wie goed is krijgt lekkers, wie stout is de roe.” Ik weet eigenlijk niet wat een roe is, misschien is dat wel een heerlijk stuk taart, dus dan gaat de vergelijking niet op. Maar ik ben te lui om de betekenis op te zoeken, en ik denk dat Sinterklaas ook in karma gelooft. Dus neem het nu maar gewoon van mij en die brave oude man aan. De basisbetekenis van karma is simpel: alles wat je doet, zegt of denkt komt naar je terug. Als je een goede daad verricht zal je daarvoor beloond worden door het universum. Als je iets slechts doet, zal je gestraft worden. Easy peasy.

Een paar voorbeeldjes. Daarnet stuurde ik een foto van een dikke eclair naar mijn collega die samen met mij op dieet is. Dat mag natuurlijk helemaal niet, ik mag ons niet op het verkeerde spoor brengen. Resultaat: de foto was te groot om te openen en haar computer is gecrasht. Ik voelde me schuldig en ben nu al uren met een knorrende maag aan het denken aan taart en roomsoezen. Karma! Twee weken geleden zag ik onderweg met de scooter iemand die ik niet wou zien, ik draaide bewust mijn hoofd zodat ik niet zou moeten stoppen. Drie minuten later reed iemand mij aan, en was mijn scooter kapot. Dat was wel geen evenredige straf, want de rotzak was enorm in de fout, gaf achteraf verkeerde contactgegevens door en bezorgde mij veel tranen, een dikke rekening bij de garage en een trauma van jewelste. Maar ik probeer het mij niet aan te trekken, omdat ik weet dat die man nu enorm veel slechte karma naar buiten gestuurd heeft en die uiteindelijk dus ook wel zal terugkrijgen.

De twee voorbeeldjes hierboven zijn nu toevallig twee zaken waarin ik de schuldige was. Maar het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Als je écht gelooft in karma, zoals ik dat doe, begin je vanzelf beter te leven. Je probeert zo veel mogelijk goede dingen te doen voor jezelf en de buitenwereld, omdat je weet dat je beloond zal worden. Soms is het goede gevoel achteraf al een beloning op zich. Je roddelt minder, want je wil toch niet dat er ook over jou geroddeld wordt? Je probeert minder snel mensen te veroordelen, want je wil zelf niet veroordeeld worden. Redelijk egoïstisch, maar als dat de wereld een leukere plek maakt, why not? Als je je aan de basisbeginselen houdt, word je ook rustiger. Als iemand je bewust kwetst, raakt het je minder. Je geeft het over aan het universum en dat zal wel bepalen wat de gevolgen zijn.

Er gebeuren natuurlijk ook slechte dingen met mensen die het absoluut niet verdiend hebben. Mensen die ziek worden hebben daar niet om gevraagd. Huizen en levens kunnen verloren gaan door natuurkrachten die sterker zijn dan de wil van de mens. En af en toe voel je je gewoon rottig omdat je PMS hebt. Soms is het leven gewoon een dikke hoop stront, en kan je daar helemaal niets aan doen. Maar vaak krijg je kleine cadeautjes van het universum, of een waarschuwing dat je je beter moet gedragen. En wie wil er nu op een slecht blaadje staan bij het universum? Daar haalt Sinterklaas zijn informatie, en blijkbaar is die roe echt niet leuk…

Stinkfruit voor in je stinkschoentje

Sinterklaas komt eraan, en dat kan je ruiken. De constante stroom van folders van speelgoedwinkels, zeurende en verwende kinderen die met hun snotterige neusjes tegen vitrines staan geplakt, de verleiding van koekjes en chocola die op straat uitgedeeld worden,… Dat vind ik allemaal niet erg! Ik vind die hele fantasiewereld wel leuk, en ga er ook gewillig in mee. Dit jaar zetten mijn vriend en ik ook onze schoen, en hem kennende zal ik er op 6 december een lief cadeautje in vinden. Dus ik ben niet tegen Sinterklaas. Ik zal je zeggen waar ik wél tegen ben. Tegen mandarijntjes. Ik haat mandarijntjes. Het zijn kleine, zure stinkbollen en ik snap niet hoe iemand zoiets in zijn mond kan verdragen.

Wat mij het meest stoort, is dat mensen de vreemdste momenten uitkiezen om zo’n vieze oranje stinkerds op te eten. Ze eten ze niet tijdens een gezellige picknick in het park. Ze eten ze niet als de wind door hun haren blaast op een mooie dag op het strand. Ze eten ze niet bij een barbecue in de tuin. Ze eten ze kortom niet als er frisse lucht aanwezig is. Neen, mandarijntjeslovers verorberen hun lievelingsvrucht het liefst op plekken waar zo veel mogelijk mensen op een zo klein mogelijke oppervlakte zitten of staan. In de trein naar huis op het spitsuur, wanneer de meeste mensen al op het randje van agressief zijn omdat ze zo dicht bij elkaar moeten zitten. Of in een overvolle lift, wanneer je net langs elke verdieping halte moet maken. En ze weten dat het ergerlijk is, dat zie je aan de schuldige blik in hun ogen als ze zien hoe de mensen rondom hen hun neus ophalen. Ze weten dat ze zorgen voor een onuitstaanbare geur, en kijken daarom enorm verdrietig. Of misschien zien ze er zo down uit omdat ze beseffen dat hun stinkende handen hen uren later nog zullen herinneren aan hun muffende fruitige tussendoortje.

Dus dit is een oproep voor de hele wereldbol: gelieve vanaf nu in het openbaar alleen nog maar welriekend voedsel te eten. Aardbeien, vers brood, zelfgebakken cake, vanillepap, gebraden kip,… Allemaal toegestaan! Maar mandarijntjes, zuurkool, stinkkaas (geef toe, de naam zegt het zelf), rijstkoeken, ingewanden,… Hou die maar voor een eenzaam avondje voor de tv, als je tijdens het eten en achteraf geen contact meer moet hebben met mensen met een goed functionerend reukorgaan. De firma dankt u.

Ritueel bibberen

Ik heb het koud. Iedereen heeft het steeds maar over de opwarming van de aarde, maar daar voel ik momenteel toch bitter weinig van. Als het dan toch warmer wordt, waarom voel ik dan de nood om mij ’s ochtends aan te kleden als een Eskimo? Hoewel, waarschijnlijk is het in een iglo nog warmer dan in ons appartement. Ik heb al spijt van de afspraak die ik met mijn vriend gemaakt heb: de verwarming mag pas aan als het uur veranderd is. Dus ik moet nog een paar dagen zien te overleven. Niet alleen ’s ochtends zie ik af, ook de avonden zijn geen pretje. Volgens mij sluipt er iemand elke dag mijn woonst binnen, en steekt die iemand mijn dekens in de diepvriezer. En haalt ze er dan uren later weer uit, net voor ik moet gaan slapen. Gewoon om mij te pesten. Gelukkig kan ik mij telkens warmen aan mijn vriend en aan het vooruitzicht van de volgende ochtend. Want van 7u28 tot 7u37… Dat zijn de leukste minuten van de dag.

Iedereen heeft een ochtendritueel. Sommige mensen timen alles, anderen willen een vaste volgorde in alles wat ze doen. Zo ben ik ook. Ik moet mij eerst wassen en dan pas mijn tanden poetsen. Ik mag er niet aan denken om eerst mijn tanden te poetsen, dat is gewoon niet logisch in mijn routine. Ik hou heel erg vast aan mijn volgorde. Om 6u56 gaat mijn eerste wekker af op mijn nachttafeltje. Vier minuten later gaat het signaal van mijn andere wekker, die op een tafel aan de andere kant van de kamer staat. Zo word ik gedwongen om recht te staan, dat helpt me om beter wakker te worden. Ik neem dat wekkertje mee terug naar bed, laat het nog twee keer afgaan, telkens met tien minuten tussen. Het gaat dus de laatste keer af om 7u20. Vijf minuten later klinkt het laatste alarm: mijn gsm. Als die begint te krijsen, weet ik dat ik écht moet opstaan. Ik zet mij recht, en staar nog een paar minuten om me heen om te wennen aan het idee “opstaan”. Dan rol ik uit bed en kruip ik twee meter verder, naar de badkamer. Daar staat mijn trouwste vriend op me te wachten: mijn klein elektrisch vuurtje. Ik rol me helemaal in een bolletje, leun tegen de deur van mijn badkamerkastje, en kruip dan negen minuten lang weg in mijn warme wereld. Pas daarna kan mijn dag echt beginnen. En tijdens die negen minuten mag ik niet gestoord worden, dat weet iedereen die mij een beetje kent. Die minuten zijn bepalend voor de rest van de dag. Misschien is het bijgeloof, maar dagen waarop ik om de een of andere reden niet voor mijn vuurtje kan zitten, lopen meestal niet goed af…

Dus dit is mijn actieplan om de koude dagen door te komen: ik sta mezelf toe om 15 minuten voor mijn vuurtje te zitten. Of 20. Of waarom niet meteen een half uur?! Drastische tijden vragen om drastische vuurtjesminuten. En de rest van de tijd zal ik moeten aftellen tot zaterdag, want dan mag de verwarming op. Die avond is toevallig ook onze housewarming party. Ik waarschuw iedereen die uitgenodigd is nu al: ik ga de verwarming zo hard zetten dat jullie denken dat jullie op een beachparty in Egypte zijn. Mwoehahaha!